Home
Migrantenondernemers een ‘integratiewonder’
Kracht van de allochtone ondernemer
Tot een soortgelijke constatering komt Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam, die op 12 november de VNO-NCW leerstoel Etnisch Ondernemerschap aanvaardt. In de jaren negentig komt het etnisch ondernemerschap op en neemt de plaats in van de autochtone middenstand in de wijk. Het zijn de jaren van Paars en de vraag is of er specifiek beleid ontwikkeld moet worden om etnisch ondernemerschap te stimuleren. Paars kiest ervoor om dit niet te doen, enerzijds vanwege de negatieve ervaringen met regelingen als de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WBEAA) en contract compliance, anderzijds had Paars het economische tij mee en kan de regering haar integratieleuze ‘werk, werk, werk’ waarmaken.
De lokale politiek staat wat meer open voor specifiek beleid vanwege het belang van het etnisch ondernemerschap voor het op peil houden van de leefbaarheid van de wijk en als integratiemotor, constateert Engelen. Maar zo laat Santokhi zien, met weinig 'harde' resultaat. De markt heeft het ondernemerschap vooral zelf opgepakt. Hoewel immigrantenondernemers in het lokale beleid regelmatig als hulpbehoevend worden neergezet, heeft het uiteindelijk wel bijgedragen aan meer geloof in de eigen kansen en een verbetering van de allochtone concentratiewijken. Maar het eigen initiatief was doorslaggevend in het succes van de allochtone ondernemer. Een ondernemer die zich - zo blijkt - ook steeds meer differentieert en kwalitatief verbeterd. De allochtone ondernemer is actief als eigenaar van een slagerij tot een ict-winkel, van een groentewinkel tot een cosmetisch centrum.
Leefbaarheid wijk
Santokhi vindt dat het etnisch ondernemerschap de veerkracht van de oude wijken toont. Zeker tegen een achtergrond waarin deze wijken regelmatig geconfronteerd worden met achterstand en een negatief sociaal-economisch imago. Deze veerkracht is mede te danken aan het feit dat allochtonen geen passieve toeschouwers zijn, maar zelf hun kansen creëren en pakken op de ondernemersmarkt. Engelen noemt dit in een bijdrage in NRC Handelsblad zelfs ‘een heus integratiewonder’, waar veel te weinig voor aandacht bestaat.
Dit komt, aldus Engelen, vanwege de ‘scherpe culturalisering van het integratievraagstuk’ na 9/11 en de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Niet meer het scheppen van kansen en het tegengaan van discriminatie worden nu gezien als oplossing van achterstand, maar de oplossing moet gezocht worden in de cultuur en de religie van de migrant. Assimilatie is nu de eis en de discussie duurt voort over vooral de onverenigbaarheid van de islam met de Nederlandse cultuur. Een onvruchtbaar welles-nietes discussie, vindt Engelen.
Mondiale wedren
Engelen probeert tijdens zijn oratie op 12 november bij de aanvaarding van de leerstoel Etnisch Ondernemerschap het tobberige beeld over migratie bij te stellen door in te zoomen op wat ambitieuze, gedreven, inventieve migranten via hun ondernemerschap de Nederlandse samenleving hebben geboden, bieden en kunnen bieden. Engelen vindt dat de discussie over migranten verkeerd wordt gevoerd. Het probleem is niet dat er te veel (islamitische) migranten in Nederland zijn. Het probleem is dat er te weinig gebruik wordt gemaakt van de talenten van de migranten. Zeker gezien de toekomstige vergrijzing van Nederland is het zaak om nuchter naar migratie- en integratiebeleid te kijken. Voor de persoonlijke dienstverlening als zorg, zullen migranten onmisbaar blijken. Engelen: ‘Wie de demografische feiten kent, weet dat binnen vijftien jaar een mondiale wedren om het Afrikaanse en Arabische overschot zal ontbranden.’
Geen migratiestop
Nederland is bovendien te ongeduldig. De recent gedane kosten- en batenanalyse richt zich vooral op het begin van de bijdrage van de tweede generatie en valt daarom niet onverwacht negatief uit. Maar in 2020 zal deze generatie al meer inkomsten genereren en loopt de derde generatie zich warm. Het is dan bijna onvermijdelijk dat het saldo dan positief zal zijn, verwacht
Engelen.
Om aan de nieuwe noden van Nederland tegemoet te kunnen komen, zal de verzorgingsstaat en de arbeidsmarkt wel verder gemoderniseerd moeten worden. Dit betekent niet een migratiestop, maar anders omgaan met het verlenen van de rechten en de plichten van de arbeidsmigrant. Zo stelt Engelen een ontkoppeling voor van de verzorgingsstaat en de arbeidsmarkt. Arbeidsmigranten krijgen in een dergelijke constructie pas na vijf jaar het staatsburgerschap en daarmee toegang tot de verzorgingsstaat.
Engelen vindt echter vooral dat Nederland migranten anders moeten leren waarderen. Nederland moet hen zien als wereldburgers die het het grootste compliment betuigen dat men een land maar kan geven. Door het eigen lot en dat van de kinderen in de handen van Nederland te leggen, spreekt de migrant een existentiële voorkeursstem voor Nederland uit. De hoogleraar pleit voor een ‘liefdevollere’ blik. ‘Niet omdat we dat moreel verplicht zijn, maar omdat het goed koopmanschap is. Dichte grenzen kunnen we ons niet permitteren.’